Landbouw Curacao

Landbouw, hoe vaak ook beproefd, is op Curaçao steeds een mislukking gebleken. Dat ligt niet aan den grond; die is, hoewel voor een groot deel rotsachtig, toch op vele plaatsen vruchtbaar genoeg. Maar wel aan onvoldoende, vaak maanden uit blijvende, regenval.

Dat de grond er vruchtbaar genoeg is, blijkt wel uit de aanwezigheid van verscheidene, z.g. hofjes in de dalen en verder doordat, als de regens eens goed doorkomen, in een ongelooflijk
korten tijd ook de bruine, door de zon geblakerde rotsen met een groen plantenkleed bedekt zijn. Al te spoedig verdort dat echter weer, als daarna een langdurige droogte-periode inzet.

Reeds in de eerste tijden van onze bezetting van het eiland, dat in 1634 aan de Spanjaarden ontnomen werd, verneemt men klachten over de grote droogte, over het ontbreken van goed drinkwater voor mens en dier en over het gemis van voldoende regenbakken en putten, om
het spaarzaam vallende water te bewaren.

Toch heeft de West-Indische Compagnie geruime tijd de illusie gehad, op het eiland een tropisch landbouwbedrijf te kunnen vestigen, zelfs nog nadat zij, na de verovering van Suriname, een daartoe veel beter geschikt gebied in bezit had gekregen. Met allerlei gewassen werd een proef genomen, met suiker, indigo, katoen, tabak e.a. Suikercultuur schijnt wel de oudste op het eiland beoefende te zijn. Uit de archieven van de W. I. C. blijkt, dat in 1670
in het pakhuis te Amsterdam aan de Prins-Hendrikkade (destijds de Buitenkant) een hoeveelheid van 12.000 pond suiker, afkomstig van de Curacaose plantage St.-Cruys,
aanwezig was.

In het eerste vierde deel van de 18e eeuw begonnen Bewindhebbers echter meer en meer de mening te hebben, dat andere bronnen van inkomsten meer belangstelling verdienden dan de steeds wisselvallige landbouw en gaandeweg werden de oude cultures dan ook opgegeven.

Bron:

  • artikel “TWEE POPULAIRE VRUCHTEN VAN CURACAO. ORANJEAPPELEN EN PINDA’S; C. K. KESLER, zonder jaartal.